|
[Normen
/ Verwarming / Informatie] Centrale verwarming met warm water - Een stand van zaken met betrekking tot de normalisatie in België
1 De nationale normen 1.1 Grafische symbolenDe Belgische normen NBN 232-01 tot 232-13, die gepubliceerd werden tussen 1968 en 1970 bevatten de grafische symbolen voor gebruik in tekeningen, plannen en installatieschema’s voor verwarming in het algemeen. Daarnaast bestaat de norm NBN D 51-002 (1972) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Regelschema’s”. Deze norm geeft regels en aanbevelingen die moeten nageleefd worden voor het tekenen van schema’s van automatische regelsystemen. We moeten echter vaststellen dat de symbolen die in de verschillende documenten voorkomen, niet altijd identiek zijn. Om deze grafische conventies te harmoniseren, heeft het WTCB in 1998 het Rapport nr. 3 “Algemene grafische symbolen voor de bouw” uitgegeven. 1.2 Berekening van de warmteverliezenDe warmteverliezen van gebouwen worden berekend volgens de norm NBN B 62-003 (1986) “Berekening van de warmteverliezen van gebouwen”. Deze norm wordt momenteel zal weldra herzien worden met het oog op de implementatie van de Europese norm NBN EN 12831 (2003) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Methode voor de berekening van de warmteverliezenwarmtebelasting”. De norm NBN B 62-003 is onlosmakelijk verbonden met de norm NBN B 62-002 (2008) “Thermische prestaties van gebouwen - Berekening van de warmtedoorgangscoëfficiënten (U-waarden) van gebouwcomponenten en gebouwelementen - Berekening van de warmteoverdrachtscoëfficiënten door transmissie (HT-waarde) en ventilatie (Hv-waarde)” Volgens de norm NBN B 62-003 moeten transmissie- en ventilatieverliezen opgeteld worden en dient de bekomen som voor elk vertrek vermeerderd te worden met een toeslag die rekening houdt met de oriëntatie en eventueel aanwezige koude wanden : Φtot = (Φt + Φv) . (1 + Mo + Mcw) Een speciale methode wordt toegepast in het geval van wanden in contact met de volle grond, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen een randzone van 2 meter breedte en een binnenzone, die alle overblijvende delen omvat. Voor deze beide zones wordt de contacttemperatuur tussen het bouwdeel en de grond berekend, die afhankelijk is van de U-waarde van het bouwelement in contact met de grond en de diepte van het grondwaterpeil. De norm NBN EN 12831 dient evenwel nog aangepast te worden om op Belgisch vlak gebruikt te kunnen worden. Immers in een nationale bijlage dienen nog een aantal parameters en afspraken vastgelegd te worden zoals de basis buitentemperatuur, correctiefactoren, ventilatievouden, enz …. Het is voorzien dat deze nationale bijlage geïntegreerd zal worden in de herziening van de Belgische norm NBN B 62-003. De norm NBN EN 12831 houdt rekening met de lage energiebehoeften van de huidige gebouwen, wat impliceert dat het belang van de nodige opwarmvermogens onderstreept zal worden. Het totaal te installeren vermogen voor de verwarming van een vertrek zal berekend worden op basis van de som van de vermogens die nodig zijn voor de transmissie door wanden (Φt), de ventilatie (Φv) en de opwarming (Φw): Φtot = Φt + Φv + Φw 1.3 Stookafdelingen en schoorstenenDe norm NBN B 61-002 (2006) “Centrale verwarmingsketels met een nominaal vermogen kleiner dan 70 kW. Voorschriften voor hun opstellingsruimte, luchttoevoer en rookafvoer” heeft tot doel om architecten en ontwerpers van verwarmingsinstallaties regels aan te reiken inzake de opstellingsruimte van de stookketels. De norm heeft ook betrekking op de luchttoevoer en rookafvoer van de stookketels. Deze voorschriften zijn evenwel enkel van toepassing indien het totale nominale geïnstalleerde vermogen kleiner is dan 70 kW. Voor installaties met een vermogen, groter dan 70 kW, dient men een beroep te doen op de norm NBN B 61-001 (1986) “Stookafdelingen en schoorstenen”, aangevuld door zijn addendum A1 uit 1996. Deze norm wordt momenteel herzien om in overeenstemming te zijn met de aanpassingen die aangebracht werden aan de norm NBN B 61-002 en om een reeks nieuwe voorschriften voor moderne technologieën (bv. condensatieketels) in te voeren. De norm NBN B 61-002 zal tegelijkertijd ook nog enkele wijzigingen ondergaan en het is de bedoeling om de beide gereviseerde normen tezamen te publiceren in 2011. 1.4 GasinstallatiesDe norm NBN D 51-003 (2010) “Binnenleidingen voor aardgas en plaatsing van de verbruikstoestellen. Algemene bepalingen” geeft een overzicht van de algemene technische eisen en veiligheidsvoorwaarden die van toepassing zijn op de volgende gevallen :
Installaties met een maximaal toegelaten bedrijfsdruk groter dan 100 mbar en kleiner dan of gelijk aan 15 bar, evenals installaties waarvan de maximaal toegelaten bedrijfsdruk 100 mbar bedraagt, maar waarvan :
worden op hun beurt behandeld in de norm NBN D 51-004 (1992) “Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen. Bijzondere installaties (met erratum A1:2003)”. Een addendum 2 van NBN D 51-004 is momenteel in voorbereiding ten einde hierin nieuwe voorschriften te integreren betreffende de proeven onder druk. De norm NBN D 51-001 (1972) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Lokalen voor drukreduceerinrichtingen van aardgas” geeft de voorschriften voor ruimten, bestemd voor de nieuwe installatie van drukreduceerinrichtingen van gas.
1.5 GeluidsniveausWat de akoestiek betreft, is het nuttig de Belgische norm NBN S 01-401 (1987) “Akoestiek. Grenswaarden voor de geluidsniveaus om het gebrek aan comfort in gebouwen te vermijden” te vermelden. Deze norm bepaalt de maximale geluidsniveaus die toegelaten zijn in bepaalde ruimten van gebouwen, afhankelijk van hun bestemming, van het type gebouw en zijn inplantingszone. Hierbij wordt rekening gehouden met geluiden van buitenaf, zoals burengeluiden, en met geluiden van binnenuit, zoals het geluid van de uitrustingen (bv. verwarmingsketel of circulatiepomp). De norm NBN S 01-400-1 (2008) “Akoestische criteria voor woongebouwen” vervangt gedeeltelijk de voornoemde norm voor wat betreft woongebouwen. Rekening houdend met de evolutie van de akoestiek tijdens de jongste 50 jaar beschouwt men de oude norm NBN 263 (1951) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Akoestische eisen” als voorbijgestreefd. Daarom vermijdt men best nog naar deze norm te verwijzen. 1.6 Gemeenschappelijke eisenAan het einde van de jaren ’80 startte het NBN met de actualisering van de norm NBN 237 (1954) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen”. Deze norm was immers verouderd en zijn vervanging door nieuwe normen werd noodzakelijk wegens de technologische evoluties. Doordat men echter de voorrang gaf aan de ontwikkeling van Europese normen, werd er spijtig genoeg vroegtijdig een einde gesteld aan de actualisering van de norm NBN 237, zodat deze enkel gedeeltelijk vervangen werd door de normen van de reeks D 30 :
Deze normen hebben tot doel een leidraad voor de goede uitvoering van centrale-verwarmingsinstallaties aan te reiken. Ze behandelen dus voornamelijk de plaatsingsaspecten van de uitrusting in deze installaties. De nummering en de benaming van deze normen volgen deze uit de artikels van hoofdstuk C van het tweede deel van het Typebestek 105 van de Regie der Gebouwen. Hoewel de norm NBN 238 (1953) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Bijzondere eisen voor centrale verwarmingsinstallaties met warm water in verbinding met de lucht” nog steeds geldig is, is deze in onbruik geraakt, aangezien men tegenwoordig vrijwel geen open expansievaten meer plaatst. 1.7 Stoom en heet waterDe norm NBN D 01-001 (1978) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Bijzondere eisen voor hogedrukverwarmingsinstallaties (met water of met stoom)” is van toepassing op hogedrukinstallaties, met name :
1.8 OpleveringsproevenDe normen uit de reeks NBN D 11 hebben betrekking op de opleveringsproeven voor nieuwe verwarmingsinstallaties of nieuwe delen van bestaande installaties. Ze bepalen de technische vereisten waaraan de opleveringsproeven moeten beantwoorden en geven de uit te voeren proeven aan :
2 De Europese normen 2.1 Ontwerp van verwarmingssystemenDe norm NBN EN 12828 (2003) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Ontwerp van verwarmingssystemen met water” bepaalt de ontwerpcriteria voor verwarmingssystemen met water in gebouwen met een maximale gebruikstemperatuur van 105 °C. De norm behandelt de belangrijkste ontwerpprincipes van :
Daarnaast bevat de norm een aantal criteria die in acht genomen moeten worden bij de thermische isolatie van de buizen en stelt in zijn bijlage een rekenmethode ter dimensionering van de expansievaten voor. 2.2 Verwarming en koeling via de vloer, de muur of het plafondDe normen NBN EN 1264-1 tot 1264-5 zijn van toepassing op systemen voor oppervlakteverwarming en –koeling die geïntegreerd zijn in de vloeren, plafonds of muren van te verwarmen of te koelen vertrekken. Deze reeks omvat 5 normen :
De normen NBN EN 15377-1 en NBN EN 15377-3 betreffen het ontwerp en de dimensionering van oppervlakteverwarmings- en koelsystemen via de vloer, de muur en het plafond :
Dit derde deel heeft de bedoeling om een leidraad te zijn voor het ontwerp van ingebouwde verwarmings- en koelsystemen teneinde het gebruik te stimuleren van duurzame energiebronnen en een rekenmethode in te voeren voor de actieve integratie van de thermische massa in gebouwen; deze heeft de bedoeling om de pieklasten te verminderen, om de verwarmings- en koellasten te verplaatsen naar de daluren en om de grootte (totale vermogens) van de installaties te beperken. 2.3 WarmtepompenEen andere belangrijke norm is de NBN EN 15450 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Ontwerp van warmtepomp-verwarmingssystemen”. Dit document beschrijft de ontwerpcriteria van de verwarmingssystemen in gebouwen die elektrisch aangedreven warmtepompen gebruiken of gecombineerd zijn met ander warmtegeneratoren. 2.4 Installatie en inbedrijfstellingDe norm NBN EN 14336 (2005) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Installatie en inbedrijfstelling van watervoerende verwarmingssystemen” behandelt de specifieke aspecten van de installatie en de inbedrijfstelling (*) van de onderdelen van het systeem (bv. de generatoren, de circulatiepompen en de regelaars). (*) Inbedrijfstelling = overgang van de statische afwerkingstoestand van een installatie tot haar werkingstoestand, overeenkomstig de gespecificeerde eisen. 2.5 InspectieDe norm NBN EN 15378 (2007) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Inspectie van ketels en verwarmingssystemen” bepaalt de inspectieprocedures en de te gebruiken meetmethoden voor de inspectie en de evaluatie van de energetische prestaties van stookketels en verwarmingssystemen, die kunnen dienen als leidraad voor gebruikers die een ketelvervanging plannen of andere wijzigingen aan het verwarmingssysteem. 2.6 Bediening, onderhoud en gebruikDaarnaast willen wij ook de normen NBN EN 12170 (2002) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Leidraad voor het opstellen van handleidingen voor bediening, onderhoud en gebruik. Verwarmingssystemen die een voor dit doel gekwalificeerde bediener vereisen” en NBN EN 12171 (2002) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Leidraad voor het opstellen van handleidingen voor bediening, onderhoud en gebruik. Verwarmingssystemen die geen voor dit doel gekwalificeerde bediener vereisen” vermelden. Deze twee normen geven aan dat de verwarmingssystemen moeten afgeleverd worden met een handleiding voor de bediening, het onderhoud en het gebruik, met een specifieke vorm en inhoud. 2.7 Energiebesparingen en comfortcriteriaDe norm NBN EN 15459 (2008) “Energieprestatie van gebouwen - Economische beoordelingsprocedure voor energiesystemen in gebouwen” geeft een rekenmethode voor de beoordeling van de economische aspecten van verwarmingssystemen en andere systemen of toepassingen die te maken hebben met de energievraag en het energieverbruik in gebouwen. . Deze norm kan gebruikt worden voor het evalueren van de economische prestaties van gebouwen bij het uitvoeren van diverse energiebesparende maatregelen (bvb. isolatie, betere generatoren en distributiesystemen, efficiëntere verlichting, hernieuwbare energiebronne, WKK, …). De norm NBN EN 15251 (2007) “Binnenmilieu-gerelateerde inputparameters voor ontwerp en beoordeling van energieprestatie van gebouwen voor de kwaliteit van binnenlucht, het thermisch comfort, de verlichting en akoestiek” geeft gestandaardiseerde waarden voor de invoergegevens die nodig zijn voor het ontwerp van de systemen voor verwarming, koeling en ventilatie en die eveneens het binnenklimaat en de energetische prestaties van gebouwen betreffen. Deze norm bevat bovendien ook methodes voor het evalueren van het binnencomfort op lange termijn. 2.8 Energiebehoeften en systeemrendementenDe normen uit de reeks NBN EN 15316, tenslotte, zijn gewijd aan de rekenmethode ter bepaling van de energieprestaties en de rendementen van de systemen van ruimteverwarming en de productie van sanitair warm water. De verschillende delen van deze norm geven telkens de specifieke rekenmethodes voor de verschillende deelsystemen van het volledige verwarmingssysteem in het gebouw :
Update: Januari 2011 |