[Normen / Verwarming / Informatie]  

 
 

Centrale verwarming met warm water - Een stand van zaken met betrekking tot de normalisatie in België


1 De nationale normen
2 De Europese normen


1 De nationale normen

1.1 Grafische symbolen

De Belgische normen NBN 232-01 tot 232-13, die gepubliceerd werden tussen 1968 en 1970 bevatten de grafische symbolen voor gebruik in tekeningen, plannen en installatieschema’s voor verwarming in het algemeen. Daarnaast bestaat de norm NBN D 51-002 (1972) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Regelschema’s”. Deze norm geeft regels en aanbevelingen die moeten nageleefd worden voor het tekenen van schema’s van automatische regelsystemen.

We moeten echter vaststellen dat de symbolen die in de verschillende documenten voorkomen, niet altijd identiek zijn. Om deze grafische conventies te harmoniseren, heeft het WTCB in 1998 het Rapport nr. 3 “Algemene grafische symbolen voor de bouw” uitgegeven.

1.2 Berekening van de warmteverliezen

De warmteverliezen van gebouwen worden berekend volgens de norm NBN B 62-003 (1986) “Berekening van de warmteverliezen van gebouwen”. Deze norm wordt momenteel zal weldra herzien worden met het oog op de implementatie van de Europese norm NBN EN 12831 (2003) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Methode voor de berekening van de warmteverliezenwarmtebelasting”.

De norm NBN B 62-003 is onlosmakelijk verbonden met de norm NBN B 62-002 (2008) “Thermische prestaties van gebouwen - Berekening van de warmtedoorgangscoëfficiënten (U-waarden) van gebouwcomponenten en gebouwelementen - Berekening van de warmteoverdrachtscoëfficiënten door transmissie (HT-waarde) en ventilatie (Hv-waarde)”

Volgens de norm NBN B 62-003 moeten transmissie- en ventilatieverliezen opgeteld worden en dient de bekomen som voor elk vertrek vermeerderd te worden met een toeslag die rekening houdt met de oriëntatie en eventueel aanwezige koude wanden :

Φtot = (Φt + Φv) . (1 + Mo + Mcw)

Een speciale methode wordt toegepast in het geval van wanden in contact met de volle grond, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen een randzone van 2 meter breedte en een binnenzone, die alle overblijvende delen omvat. Voor deze beide zones wordt de contacttemperatuur tussen het bouwdeel en de grond berekend, die afhankelijk is van de U-waarde van het bouwelement in contact met de grond en de diepte van het grondwaterpeil.

De norm NBN EN 12831 dient evenwel nog aangepast te worden om op Belgisch vlak gebruikt te kunnen worden. Immers in een nationale bijlage dienen nog een aantal parameters en afspraken vastgelegd te worden zoals de basis buitentemperatuur, correctiefactoren, ventilatievouden, enz …. Het is voorzien dat deze nationale bijlage geïntegreerd zal worden in de herziening van de Belgische norm NBN B 62-003.

De norm NBN EN 12831 houdt rekening met de lage energiebehoeften van de huidige gebouwen, wat impliceert dat het belang van de nodige opwarmvermogens onderstreept zal worden. Het totaal te installeren vermogen voor de verwarming van een vertrek zal berekend worden op basis van de som van de vermogens die nodig zijn voor de transmissie door wanden (Φt), de ventilatie (Φv) en de opwarming (Φw):

Φtot = Φt + Φv + Φw

1.3 Stookafdelingen en schoorstenen

De norm NBN B 61-002 (2006) “Centrale verwarmingsketels met een nominaal vermogen kleiner dan 70 kW. Voorschriften voor hun opstellingsruimte, luchttoevoer en rookafvoer” heeft tot doel om architecten en ontwerpers van verwarmingsinstallaties regels aan te reiken inzake de opstellingsruimte van de stookketels. De norm heeft ook betrekking op de luchttoevoer en rookafvoer van de stookketels. Deze voorschriften zijn evenwel enkel van toepassing indien het totale nominale geïnstalleerde vermogen kleiner is dan 70 kW.

Voor installaties met een vermogen, groter dan 70 kW, dient men een beroep te doen op de norm NBN B 61-001 (1986) “Stookafdelingen en schoorstenen”, aangevuld door zijn addendum A1 uit 1996. Deze norm wordt momenteel herzien om in overeenstemming te zijn met de aanpassingen die aangebracht werden aan de norm NBN B 61-002 en om een reeks nieuwe voorschriften voor moderne technologieën (bv. condensatieketels) in te voeren. De norm NBN B 61-002 zal tegelijkertijd ook nog enkele wijzigingen ondergaan en het is de bedoeling om de beide gereviseerde normen tezamen te publiceren in 2011.

1.4 Gasinstallaties

De norm NBN D 51-003 (2010) “Binnenleidingen voor aardgas en plaatsing van de verbruikstoestellen. Algemene bepalingen” geeft een overzicht van de algemene technische eisen en veiligheidsvoorwaarden die van toepassing zijn op de volgende gevallen :

  • nieuwe binneninstallaties of gedeelten van nieuwe binneninstallaties met een maximale bedrijfsdruk van 100 mbar en waarvan :
    • de nominale diameter van de leidingen kleiner is dan of gelijk is aan DN 50
    • de leidingen niet ingegraven zijn
  • de plaatsing en inwerkingstelling van de verbruikstoestellen in de hierboven vermelde installaties.

Installaties met een maximaal toegelaten bedrijfsdruk groter dan 100 mbar en kleiner dan of gelijk aan 15 bar, evenals installaties waarvan de maximaal toegelaten bedrijfsdruk 100 mbar bedraagt, maar waarvan :

    • de nominale diameter van de leidingen groter is dan 50 DN
    • de leidingen ingegraven zijn,

worden op hun beurt behandeld in de norm NBN D 51-004 (1992) “Installaties voor brandbaar gas lichter dan lucht, verdeeld door leidingen. Bijzondere installaties (met erratum A1:2003)”. Een addendum 2 van NBN D 51-004 is momenteel in voorbereiding ten einde hierin nieuwe voorschriften te integreren betreffende de proeven onder druk.

De norm NBN D 51-001 (1972) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Lokalen voor drukreduceerinrichtingen van aardgas” geeft de voorschriften voor ruimten, bestemd voor de nieuwe installatie van drukreduceerinrichtingen van gas.
Nog altijd in het domein van gasinstallaties heeft het NBN ook de volgende driedelige norm  gepubliceerd voor installaties, gevoed door butaan- of propaangas :

  • NBN D 51-006-1 (2010) “Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen. Algemene bepalingen. Deel 1 : Terminologie”
  • NBN D 51-006-2 (2010) “Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen. Algemene bepalingen. Deel 2 : Binnenleidingen”
  • NBN D 51-006-3 (2010) “Binnenleidingen voor commercieel butaan of propaan in gasfase op een werkdruk van maximum 5 bar en plaatsing van de verbruikstoestellen. Algemene bepalingen. Deel 3 : Plaatsing van de verbruikstoestellen”.

1.5 Geluidsniveaus

Wat de akoestiek betreft, is het nuttig de Belgische norm NBN S 01-401 (1987) “Akoestiek. Grenswaarden voor de geluidsniveaus om het gebrek aan comfort in gebouwen te vermijden” te vermelden. Deze norm bepaalt de maximale geluidsniveaus die toegelaten zijn in bepaalde ruimten van gebouwen, afhankelijk van hun bestemming, van het type gebouw en zijn inplantingszone. Hierbij wordt rekening gehouden met geluiden van buitenaf, zoals burengeluiden, en met geluiden van binnenuit, zoals het geluid van de uitrustingen (bv. verwarmingsketel of circulatiepomp). De norm NBN S 01-400-1 (2008) “Akoestische criteria voor woongebouwen” vervangt gedeeltelijk de voornoemde norm voor wat betreft  woongebouwen.

Rekening houdend met de evolutie van de akoestiek tijdens de jongste 50 jaar beschouwt men de oude norm NBN 263 (1951) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Akoestische eisen” als voorbijgestreefd. Daarom vermijdt men best nog naar deze norm te verwijzen.

1.6 Gemeenschappelijke eisen

Aan het einde van de jaren ’80 startte het NBN met de actualisering van de norm NBN 237 (1954) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen”. Deze norm was immers verouderd en zijn vervanging door nieuwe normen werd noodzakelijk wegens de technologische evoluties. Doordat men echter de voorrang gaf aan de ontwikkeling van Europese normen, werd er spijtig genoeg vroegtijdig een einde gesteld aan de actualisering van de norm NBN 237, zodat deze enkel gedeeltelijk vervangen werd door de normen van de reeks D 30 :

  • NBN D 30-001 (1991) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Warmtegeneratoren en branders” (met erratum)
  • NBN D 30-002 (1989) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Brandstoftoevoer”
  • NBN D 30-003 (1990) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Schoorsteenaansluiting van warmtegeneratoren” (met erratum)
  • prNBN D 30-006 (1996) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Buisleidingen”
  • NBN D 30-007 (1991) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Kranen”
  • NBN D 30-008 (1995) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Pompen en circulatoren”
  • NBN D 30-020 (1992) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Persluchtvoorziening voor de automatische regeling”
  • NBN D 30-021 (1989) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Automatische regeling”
  • NBN D 30-039 (1995) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Bijkomende werken”
  • NBN D 30-041 (1992) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Thermische isolatie”
  • NBN D 30-100 (1989) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Gemeenschappelijke eisen voor alle systemen. Algemeen”.

Deze normen hebben tot doel een leidraad voor de goede uitvoering van centrale-verwarmingsinstallaties aan te reiken. Ze behandelen dus voornamelijk de plaatsingsaspecten van de uitrusting in deze installaties. De nummering en de benaming van deze normen volgen deze uit de artikels van hoofdstuk C van het tweede deel van het Typebestek 105 van de Regie der Gebouwen.

Hoewel de norm NBN 238 (1953) “Centrale verwarming, luchtverversing en klimaatregeling. Bijzondere eisen voor centrale verwarmingsinstallaties met warm water in verbinding met de lucht” nog steeds geldig is, is deze in onbruik geraakt, aangezien men tegenwoordig vrijwel geen open expansievaten meer plaatst.

1.7 Stoom en heet water

De norm NBN D 01-001 (1978) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Bijzondere eisen voor hogedrukverwarmingsinstallaties (met water of met stoom)” is van toepassing op hogedrukinstallaties, met name :

  • heetwaterinstallaties waarbij de ketel werkt bij een temperatuur van meer dan 111 °C
  • stoominstallaties (waarbij de stoomdruk hoger is dan 0,5 bar).

1.8 Opleveringsproeven

De normen uit de reeks NBN D 11 hebben betrekking op de opleveringsproeven voor nieuwe verwarmingsinstallaties of nieuwe delen van bestaande installaties. Ze bepalen de technische vereisten waaraan de opleveringsproeven moeten beantwoorden en geven de uit te voeren proeven aan :

  • NBN D 11-001 (1982) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor installaties. Algemeen”
  • NBN D 11-100 (1982) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor lage- en hogedrukinstallaties met water of met stoom. Volgorde der proeven”
  • NBN D 11-101 (1982) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor installaties. Dichtheidsproef in koude toestand”
  • NBN D 11-102 (1982) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor installaties. Beproeving van de brandstofleidingen”
  • NBN D 11-103 (1982) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor installaties. Beproeving van de leidingen van de pneumatische regeling”
  • NBN D 11-104 (1982) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor installaties. Dichtheidsproef in warme toestand”
  • NBN D 11-105 (1982) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor installaties. Controle van de water- of thermisch fluidumcirculatie”
  • NBN D 11-106 (1982) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor installaties. Beproeving van stralingspijproosters”
  • prNBN D 11-107 (1977) “Centrale verwarming, ventilatie en luchtbehandeling. Opleveringsproeven voor installaties. Temperatuurproeven in een gebouw automatisch verwarmd door middel van warmwaterinstallatie”.
Top 

2 De Europese normen

2.1 Ontwerp van verwarmingssystemen

De norm NBN EN 12828 (2003) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Ontwerp van verwarmingssystemen met water” bepaalt de ontwerpcriteria voor verwarmingssystemen met water in gebouwen met een maximale gebruikstemperatuur van 105 °C. De norm behandelt de belangrijkste ontwerpprincipes van :

  • systemen voor de warmteproductie
  • systemen voor de warmteverdeling
  • systemen voor de warmte-emissie
  • controlesystemen.

Daarnaast bevat de norm een aantal criteria die in acht genomen moeten worden bij de thermische isolatie van de buizen en stelt in zijn bijlage een rekenmethode ter dimensionering van de expansievaten voor.

Download het Excel-rekenblad "Gegevens voor de dimensionering van diafragma-expansievaten" - NBN EN 12828:2003 Bijlage D

2.2 Verwarming en koeling via de vloer, de muur of het plafond

De normen NBN EN 1264-1 tot 1264-5 zijn van toepassing op systemen voor oppervlakteverwarming en –koeling die geïntegreerd zijn in de vloeren, plafonds of muren van te verwarmen of te koelen vertrekken. Deze reeks omvat 5 normen :

  • NBN EN 1264-1 (1997) “Vloerverwarming. Systemen en componenten. Deel 1 : Definities en symbolen” (in herziening).
  • NBN EN 1264-2 (2009) “Ingebouwde oppervlakteverwarmings- en koelsystemen met waterdoorstroming - Deel 2: Vloerverwarming - Bepalingsmethoden voor het warmtevermogen van vloerverwarmingssystemen met gebruik van berekenings- en beproevingsmethoden”
  • NBN EN 1264-3 (2010) “Ingebouwde oppervlakteverwarmings- en koelsystemen met waterdoorstroming - Deel 3: Dimensionering”
  • NBN EN 1264-4 (2010) “Ingebouwde oppervlakteverwarmings- en koelsystemen met waterdoorstroming - Deel 4: Installatie”
  • NBN EN 1264-5 (2009) “Ingebouwde oppervlakteverwarmings- en koelsystemen met waterdoorstroming - Deel 5: Verwarmen en koelen ingebouwd in vloeren, plafonds en muren - Bepaling van het warmtevermogen”

De normen NBN EN 15377-1 en NBN EN 15377-3 betreffen het ontwerp en de dimensionering van oppervlakteverwarmings- en koelsystemen via de vloer, de muur en het plafond :

  • NBN EN 15377-1 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Ontwerp van ingebouwde oppervlakteverwarmings- en koelsystemen - Deel 1: Bepaling van de ontwerpwaarde van de verwarmings- en koelingscapaciteit”
  • NBN EN 15377-3 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Ontwerp van ingebouwde oppervlakteverwarmings- en koelsystemen - Deel 3: Optimaliseren van het gebruik van duurzame energie”

Dit derde deel heeft de bedoeling om een leidraad te zijn voor het ontwerp van ingebouwde verwarmings- en koelsystemen teneinde het gebruik te stimuleren van duurzame energiebronnen en een rekenmethode in te voeren voor de actieve integratie van de thermische massa in gebouwen; deze heeft de bedoeling om de pieklasten te verminderen, om de verwarmings- en koellasten te verplaatsen naar de daluren en om de grootte (totale vermogens) van de installaties te beperken.

2.3 Warmtepompen

Een andere belangrijke norm is de NBN EN 15450 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Ontwerp van warmtepomp-verwarmingssystemen”. Dit document beschrijft de ontwerpcriteria van de verwarmingssystemen in gebouwen die elektrisch aangedreven warmtepompen gebruiken of gecombineerd zijn met ander warmtegeneratoren.

2.4 Installatie en inbedrijfstelling

De norm NBN EN 14336 (2005) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Installatie en inbedrijfstelling van watervoerende verwarmingssystemen” behandelt de specifieke aspecten van de installatie en de inbedrijfstelling (*) van de onderdelen van het systeem (bv. de generatoren, de circulatiepompen en de regelaars).

(*) Inbedrijfstelling = overgang van de statische afwerkingstoestand van een installatie tot haar werkingstoestand, overeenkomstig de gespecificeerde eisen.

2.5 Inspectie

De norm NBN EN 15378 (2007) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Inspectie van ketels en verwarmingssystemen” bepaalt de inspectieprocedures en de te gebruiken meetmethoden voor de inspectie en de evaluatie van de energetische prestaties van stookketels en verwarmingssystemen, die kunnen dienen als leidraad voor gebruikers die een ketelvervanging plannen of andere wijzigingen aan het verwarmingssysteem.

2.6 Bediening, onderhoud en gebruik

Daarnaast willen wij ook de normen NBN EN 12170 (2002) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Leidraad voor het opstellen van handleidingen voor bediening, onderhoud en gebruik. Verwarmingssystemen die een voor dit doel gekwalificeerde bediener vereisen” en NBN EN 12171 (2002) “Verwarmingssystemen in gebouwen. Leidraad voor het opstellen van handleidingen voor bediening, onderhoud en gebruik. Verwarmingssystemen die geen voor dit doel gekwalificeerde bediener vereisen” vermelden. Deze twee normen geven aan dat de verwarmingssystemen moeten afgeleverd worden met een handleiding voor de bediening, het onderhoud en het gebruik, met een specifieke vorm en inhoud.

2.7 Energiebesparingen en comfortcriteria

De norm NBN EN 15459 (2008) “Energieprestatie van gebouwen - Economische beoordelingsprocedure voor energiesystemen in gebouwen” geeft een rekenmethode voor de beoordeling van de economische aspecten van verwarmingssystemen en andere systemen of toepassingen die te maken hebben met de energievraag en het energieverbruik in gebouwen. . Deze norm kan gebruikt worden voor het evalueren van de economische prestaties van gebouwen bij het uitvoeren van diverse energiebesparende maatregelen (bvb. isolatie, betere generatoren en distributiesystemen, efficiëntere verlichting, hernieuwbare energiebronne, WKK, …).

De norm NBN EN 15251 (2007) “Binnenmilieu-gerelateerde inputparameters voor ontwerp en beoordeling van energieprestatie van gebouwen voor de kwaliteit van binnenlucht, het thermisch comfort, de verlichting en akoestiek” geeft gestandaardiseerde waarden voor de invoergegevens die nodig zijn voor het ontwerp van de systemen voor verwarming, koeling en ventilatie en die eveneens het binnenklimaat en de energetische prestaties van gebouwen betreffen. Deze norm bevat bovendien ook methodes voor het evalueren van het binnencomfort op lange termijn.

2.8 Energiebehoeften en systeemrendementen

De normen uit de reeks NBN EN 15316, tenslotte, zijn gewijd aan de rekenmethode ter bepaling van de energieprestaties en de rendementen van de systemen van ruimteverwarming en de productie van sanitair warm water. De verschillende delen van deze norm geven telkens de specifieke rekenmethodes voor de verschillende deelsystemen van het volledige verwarmingssysteem in het gebouw  :

  • NBN EN 15316-1 (2007) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 1: Algemeen”
  • NBN EN 15316-2-1 (2007) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 2-1: Afgiftesystemen voor ruimteverwarming”
  • NBN EN 15316-2-3 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 2-3: Distributiesystemen voor ruimteverwarming”
  • NBN EN 15316-3-1 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 3-1: Huishoudelijke warmwatersystemen, beschrijving van de behoefte (aftapeisen)”
  • NBN EN 15316-3-2 (2007) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 3-2 - Huishoudelijke warmwatersystemen, verdeling”
  • NBN EN 15316-3-3 (2007) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiehoefte en het systeemrendement - Deel 3-3 - Huishoudelijke warmwatersystemen, opwekking”
  • NBN EN 15316-4-1 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiehoefte en het systeemrendement - Deel 4-1: Warmteopwekkers voor ruimteverwarming, verbrandingssystemen (verwarmingsketels)”
  • NBN EN 15316-4-2 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 4-2: Warmteopwekkers voor ruimteverwarming, warmtepompsystemen”
  • NBN EN 15316-4-3 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 4-3: Warmteopwekkers voor ruimteverwarming, thermische”
  • NBN EN 15316-4-4 (2007) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 4-4: Warmteopwekkers voor ruimteverwarming, gebouwgebonden warmtekrachtkoppelingsystemen”
  • NBN EN 15316-4-5 (2007) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 4-5: Warmteopwekkers voor ruimteverwarming, prestatie en kwaliteit van stadsverwarming en grootvolumesystemen”
  • NBN EN 15316-4-6 (2008) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode van systeemenergiebehoefte en systeemrendement - Deel 4-6: Warmteopwekkersystemen, fotovoltaïsche systemen”
  • NBN EN 15316-4-7 (2009) “Verwarmingssystemen in gebouwen - Berekeningsmethode voor de systeemenergiebehoefte en het systeemrendement - Deel 4-7: Warmteopwekkers voor ruimteverwarming, biomassaverbrandingssystemen”

Top

Update: Januari 2011